menu

Patientverhaal       

Hup, het dal uit

en die berg weer op!

 

 

Bas van der Smeede (34) uit Den Haag had een goed leven. Hij werkte als uitvoerder in de bouw en ging een aantal malen per jaar op klimexpeditie. Klimmen zit bij hem in het bloed, maar daarin zat ook ineens een ernstige ziekte: acute leukemie. Er volgde een strijd die Bas net zo in ging als één van zijn klimtochten. Hij zou dit dal weer uitklauteren en weer een berg gaan beklimmen: de Kilimanjaro, samen met zijn broers.

 

 

Wanneer merkte je dat je ziek was?

Bas: “In de zomer van 2014 was ik in de klimhal aan het trainen voor een nieuwe expeditie toen het ineens een beetje zwart voor mijn ogen werd. Ik dacht aan een griepje maar ik bleef me drie, vier weken niet lekker voelen. Bij de huisarts bleek mijn hartslag onwijs hoog en moest ik bloedprikken. De dag erna belde hij me op en vertelde dat ik nog maar de helft van het bloed in mijn lichaam had. Ik moest gelijk door naar de hematoloog in het ziekenhuis. Die was in eerste instantie vrij relaxed ‘joh, je bent nog zo fit, het zal wel niets ernstigs zijn.’ Maar goed, hij kon ook niet zo snel wat vinden, dus stelde hij een beenmergpunctie voor.”

Of ik even voor vijf maanden kleding wilde meenemen naar het ziekenhuis.

 

Wat was de uitkomst?

“De uitslag zou twee weken duren, maar gelijk de volgende ochtend belde hij al van ‘sorry, je hebt acute leukemie. Onmiddellijk melden in het ziekenhuis en neem voor de komende maanden kleding mee’. Dat was zo’n beetje de strekking van zijn boodschap. Misschien heeft hij wel iets meer verteld en uitgelegd door de telefoon, maar je schrikt zo van zo’n bericht dat de rest compleet langs je heen gaat. In het ziekenhuis werd er direct doorgepakt en zat ik de volgende dag al aan de chemo. Maar goed ook. Acute leukemie ontwikkelt zich zo snel dat je ook acuut moet ingrijpen.”

50% kans dat je volgend jaar nog leeft. 

 

Hoe was je prognose?

“Niet zo best. Ik was jong, enorm fit en ineens krijg je te horen dat je 50% kans hebt dat je er volgend jaar nog bent. Door de chemo werd ik snel zwakker. Ik had nog maar de helft van mijn rode bloedlichaampjes en er brak een periode aan waarin ik volledig afhankelijk was van bloeddonors. Soms kreeg ik wel twee bloedtransfusies op een dag om ervoor te zorgen dat ik door kon. Ik heb nooit stil gestaan bij bloeddonaties, maar dan kom je op zo’n afdeling hematologie en zie je alleen maar mensen die continu leven op het bloed van een ander. Dan realiseer je je hoe fijn het is dat er zoveel donors zijn in Nederland. En daar ben ik ze allemaal onwijs dankbaar voor.” 

Ik heb volledig geleefd op bloed van anderen. 

 

Hoe verliep de behandeling

“De eerste chemokuur sloeg niet aan. Ik bleek een mix van twee soorten leukemie te hebben waar geen specifieke chemo voor was. De volgende chemo was een zware en toen werd het spannend. Het was de laatste optie die ze me konden geven. Gelukkig sloeg deze wel aan waarna er een beenmergtransplantatie kon volgen om de laatste leukemiecellen te vernietigen. Dat doen ze het liefst met stamcellen van je broers en gelukkig heb ik er daar wel een paar van: één oudere en twee jongere. Mijn oudste broer was gelukkig een match. Een enorm lichtpunt waardoor ik weer hoop zag.”

Mijn broer werd een bloedbroeder. 

 

Wanneer ging het weer beter?

“Na de transplantatie begon ik na twee weken zelf weer bloed aan te maken. Ineens had ik bloedgroep AB-, de bloedgroep van mijn broer. We waren al broeders en zijn nu dus ook bloedbroeders. De dag voor kerst mocht ik naar huis, maar na drie, vier maanden begon ik pas echt op te knappen. Langzaam begon ik weer met trainen. Eerst een beetje lopen en later naar de sportschool, fietsen, mountainbiken en weer naar de klimhal natuurlijk.” 
 

Wat werd de eerste plek toen je uit dat diepe dal was?

Bas: “Ik ben er altijd van overtuigd geweest dat ik beter ging worden en weer ging klimmen. Terugvechten, dat dal uit en die berg weer op. In het ziekenhuis had ik samen met m’n broers het plan gemaakt om samen de hoogste berg van Afrika te beklimmen, de Kilimanjaro. Mijn broers klimmen helemaal niet, maar deden dat natuurlijk om mij een hart onder de riem te steken: ‘joh, als je weer beter bent, dan gaan we samen die berg op.’ Nou, dat hebben we inmiddels gedaan.”
 

Goed gevoel zeker, zo op de top?

“Zeker! Met mijn broers, mijn vrouw en haar broer zijn we naar boven gegaan. Mijn broers hadden het zwaarder dan ik, dus ik was weer goed in conditie. Op de top was er een enorme ontlading. Je hebt een zware tijd gehad met z’n allen, maakt een plan als je doodziek bent en dan sta je samen op die top. Poe, dat was heftig.”

Voor je leven vechten en dan naar de 'rijdende rechter' kijken. Bizar. 

 

Hoe ziet je toekomst er nu uit?

“Het is nog niet helemaal zeker of het allemaal wegblijft maar het gaat supergoed en ik vertrouw erop dat het weg blijft. Komende zomer ga ik met vrienden naar de Himalaya om een berg van 6000 meter te beklimmen die nog nooit door iemand is bedwongen. Zin in.”  
 

Is je leven veranderd?

“Veel mensen hebben misschien zoiets van ‘als ik dit overleef, ga ik iets heel anders doen of dingen anders aanpakken’, maar ik niet hoor. Ik deed al precies wat ik leuk vond en dat blijf ik doen. Ik waardeer het leven zelfs nog meer en maak me minder druk om kleine dingetjes. In het ziekenhuis keek ik op tv eens naar de ‘rijdende rechter’. Je hebt 50% kans om het te overleven en dan zie je mensen die zich druk maken om de schutting van de buren die iets op hun grond staat. Bizar.”